Je staat om half vier 's middags voor de kast met boodschappen en weet even niet meer waarom je daar staat. De trap naar zolder voelt zwaarder dan vorig jaar, je slaapt zeven uur en wordt wakker alsof het er vijf waren, en in de sportschool blijft het gewicht dat vorig seizoen soepel ging nu ergens halverwege steken. Je laat bloed prikken, er komt een A4'tje terug met alles binnen de referentiewaarden, en je bent geen stap verder.
Dat A4'tje is niet fout. Het beantwoordt alleen een andere vraag dan die van jou. Een laboratorium kijkt of er ziekte zichtbaar is. Jij wilt weten waarom je herstel achterblijft, waarom je cyclus verschuift en of je met je training en voeding de goede kant op beweegt. Voor die vraag heb je andere waarden nodig, op andere momenten geprikt, en vooral: in samenhang gelezen.
Waarom één prik weinig zegt
Hormonen zijn geen vaste getallen. Oestradiol en progesteron veranderen per dag en per fase van de cyclus. In de folliculaire fase, van de eerste dag van je menstruatie tot de eisprong rond dag 14, stijgt oestrogeen en is progesteron laag. In de luteale fase, van de eisprong tot je volgende menstruatie, is progesteron hoog en heeft oestrogeen een tweede, lagere piek. Dezelfde vrouw met dezelfde gezondheid levert op dag 3 en dag 21 twee compleet verschillende uitslagen op.
In de perimenopauze wordt dat nog losser. Volgens STRAW+10 (Harlow en collega's, 2012) begint de vroege perimenopauze als je cycluslengte structureel meer dan zeven dagen gaat variëren. Oestrogeen schommelt dan sterk, hoog en laag door elkaar, voordat het daalt. Progesteron zakt eerder omdat er vaker cycli zonder eisprong zijn. FSH loopt op. Een vast prikmoment bestaat in die fase niet meer, en dus zegt één meting bijna niets over waar je staat.
Wat wél iets zegt: het beloop over enkele maanden, gelegd naast je klachten, je slaap, je herstel en je cyclusverloop.
Twee metingen met drie maanden ertussen, in dezelfde week van je cyclus als die er nog is, vertellen meer dan tien losse prikken op willekeurige dagen. Dat geldt voor hormonen en het geldt net zo goed voor ferritine, vrije T3 en hs-CRP. Hoe je zo'n eigen referentielijn opbouwt lees je in het stuk over trends en je eigen basislijn, en de bredere context van cyclus, perimenopauze en overgang staat in de complete gids over sporten als vrouw.
De hormonen: FSH, oestradiol en progesteron
FSH is het signaal vanuit je hersenen naar de eierstokken om een follikel te laten rijpen. Oestradiol is de actiefste vorm van oestrogeen en ondersteunt spieraanmaak, botopbouw, de collageenkwaliteit van pezen en banden, insulinegevoeligheid, temperatuurregulatie en een deel van de ontstekingsremming. Progesteron komt na de eisprong op gang, werkt kalmerend en slaapbevorderend, en verhoogt je kerntemperatuur licht.
Het cyclusmoment bepaalt of de uitslag bruikbaar is. Bij een cyclus rond de 28 dagen geldt:
FSH en oestradiol: dag 2 tot 5, geteld vanaf de eerste echte bloeddag
Progesteron: rond dag 21, ongeveer een week na de vermoedelijke eisprong
Bij een cyclus van 21 tot 35 dagen: tel terug vanaf je volgende menstruatie in plaats van vooruit vanaf dag 1
Bij een onregelmatige cyclus: noteer de prikdatum en je laatste menstruatie, en herhaal over drie maanden
STRAW+10 gebruikt een FSH boven de 25 IU/L als klinisch anker bij de late perimenopauze, samen met het kenmerk dat er minstens zestig dagen tussen twee menstruaties zit. Dat getal is een steunpunt in een verhaal. FSH schommelt in deze fase flink, dus een enkele waarde onder of boven die grens verandert niets aan wat je merkt of aan wat je te doen staat. De menopauze zelf is het moment van je laatste menstruatie, met terugwerkende kracht vastgesteld na twaalf maanden zonder. In Nederland ligt die gemiddeld rond de 51 jaar, en de perimenopauze eraan voorafgaand duurt vaak vier tot acht jaar.
Een lage oestradiol vraagt om context. In de overgang past die bij het beloop. Bij iemand die veel traint en weinig eet kan een lage oestradiol samen met een uitblijvende of onregelmatige cyclus wijzen op te lage energiebeschikbaarheid. De aansturing van de eisprong raakt verstoord als je onder ongeveer 30 kcal per kilo vetvrije massa per dag zakt; grofweg 45 kcal per kilo vetvrije massa per dag geldt als gezond. Het IOC-consensusdocument over REDs (Mountjoy en collega's, 2023) beschrijft wat er dan verder verschuift: verlaagde vrije T3, verhoogd cortisol, botverlies, ijzertekort, slaapklachten en somberheid. Dat patroon herken je terug in het artikel over een uitblijvende menstruatie door sporten. Blijft je menstruatie drie maanden of langer weg, of wordt je cyclus structureel langer dan 35 dagen, ga dan eerst naar de huisarts om zwangerschap, schildklierproblemen, PCOS en andere oorzaken uit te sluiten.
Ferritine en ijzer
Ferritine is je ijzervoorraad. Vrouwen die menstrueren verliezen structureel ijzer, en wie sport verliest extra via zweet, via schade aan rode bloedcellen in de voetzool bij lopen en via de darm. Daar komt hepcidine bij: een eiwit dat bij ontsteking oploopt en de ijzeropname in de darm afknijpt. Je kunt dus keurig ijzerrijk eten en toch leeglopen.
Het laboratoriumbereik voor ferritine bij vrouwen begint bij 15 µg/L. Dat is de grens waaronder bloedarmoede dreigt. Voor een lichaam dat traint ligt de bruikbare ondergrens hoger: vanaf ongeveer 50 µg/L is er genoeg voorraad om zuurstoftransport, herstel en energieproductie te ondersteunen, en 50 tot 150 geldt als functioneel bereik. Voor mannen loopt het lab van 30 tot 400 en het functionele bereik van 30 tot 200.
Zit je op 22 met vermoeidheid, kortademigheid bij intervallen en zware benen, dan is "normaal" een technisch juist antwoord dat je niets oplevert. Slikken zonder de oorzaak aan te pakken werkt vaak matig: als hepcidine verhoogd is door laaggradige ontsteking of door zware trainingsblokken, verdwijnt een groot deel van wat je inneemt ongebruikt. Kijk daarom altijd naar hs-CRP naast je ferritine, en naar je verliezen: hevige menstruaties, veel hardloopkilometers, klachten van de darm. In het stuk over ferritine en ijzer bij sporters staat hoe je die volgorde aanhoudt.
Schildklier: TSH, vrije T4 en vrije T3
TSH is het aanstuursignaal, vrije T4 het voorraadhormoon en vrije T3 het actieve hormoon dat je stofwisseling, temperatuur en herstel bepaalt. Bij een screening wordt meestal alleen TSH geprikt. Dat is logisch voor het opsporen van schildklierziekte en onhandig als je vraag over energie gaat.
Bij te lage energiebeschikbaarheid zet je lichaam de omzetting van T4 naar T3 terug. Vrije T3 daalt dan terwijl TSH gewoon binnen de referentie blijft staan, omdat de schildklier zelf niets mankeert. Mountjoy en collega's (2023) noemen een verlaagde vrije T3 expliciet als kenmerk van REDs. Wat je merkt: koude handen en voeten, een lagere rusthartslag dan je gewend bent, trage spijsvertering, haaruitval, moeite om warm te worden tijdens de warming-up en herstel dat twee dagen langer duurt dan vroeger.
Laat daarom TSH, vrije T4 en vrije T3 samen prikken. Ziet vrije T3 er laag uit bij een normale TSH en een normale vrije T4, dan is de eerste vraag wat je eet ten opzichte van wat je traint. Meer eten en minder trainen is dan het onderzoek zelf. Herstel van dit patroon volgt op die twee ingrepen en duurt vaak maanden. De uitleg over schildklierwaarden bij vermoeidheid gaat dieper in op de afzonderlijke waarden.
Vitamine D, hs-CRP en ontsteking
Vitamine D speelt mee in botopbouw, spierfunctie, immuunregulatie en stemming. Het labbereik begint bij 50 nmol/L; functioneel houd je 75 tot 120 nmol/L aan. Dat is relevant zodra oestrogeen daalt, omdat de botdichtheid dan sneller afneemt en pezen en gewrichten gevoeliger op belasting reageren. Zware krachttraining en springen zijn de belangrijkste botprikkels; vitamine D is de bouwvoorwaarde eromheen. Zie de uitleg over je vitamine D-waarde voor het volledige plaatje.
hs-CRP is de gevoelige variant van CRP en meet laaggradige ontsteking. Het lab loopt tot 5 mg/L, functioneel zit je onder de 1. Een waarde van 3,2 zonder infectie is geen ziekte en wel een signaal: het remt ijzeropname via hepcidine, het verstoort slaap en herstel, en het hangt samen met buikvet, slechte slaap, alcohol en een trainingsbelasting die niet in verhouding staat tot je herstel. Prik hs-CRP nooit binnen een paar dagen na een infectie, een tandheelkundige ingreep of een zeer zware wedstrijd, dan meet je die gebeurtenis. Meer daarover in het artikel over laaggradige ontsteking meten.
Foliumzuur hoort in dezelfde categorie bouwvoorwaarden thuis: het lab begint bij 7 nmol/L, functioneel houd je 18 aan of hoger.
Glucose, HbA1c en de lipiden na de menopauze
Oestrogeen ondersteunt de insulinegevoeligheid. Als het daalt, verschuift vet naar de buik en verandert de bloedsuikerregulatie. Greendale en collega's lieten in het SWAN-cohort zien dat de vetmassa toeneemt en de vetvrije massa afneemt in de jaren rond de laatste menstruatie, met een versnelling van ongeveer twee jaar ervoor tot twee jaar erna, en dat die verschuiving los staat van het getal op de weegschaal. Je gewicht kan gelijk blijven terwijl je samenstelling verandert.
Voor nuchtere glucose loopt het lab tot 6,1 mmol/L; functioneel houd je tot 5,2 aan. HbA1c, je gemiddelde van de afgelopen weken, loopt in het lab tot 42 mmol/mol en functioneel rond 31 tot 36. Een nuchtere glucose van 5,8 met een HbA1c van 40 is geen diabetes en is wel het moment om te handelen: zware krachttraining met weinig herhalingen, grofweg drie tot zes, korte intensieve intervallen van ongeveer tien tot dertig seconden, en voldoende eiwit. Sims en collega's (2023) adviseren 1,6 tot 2,2 gram eiwit per kilo lichaamsgewicht per dag, verdeeld over de dag met 30 tot 40 gram per maaltijd. Zie nuchtere glucose en insuline laten prikken voor de meetkant.
Na de menopauze stijgen LDL-cholesterol en ApoB gemiddeld. ApoB telt het aantal atherogene deeltjes en zegt daarmee meer dan LDL alleen; de uitleg over ApoB laat zien waarom. Neem het mee in je nulmeting en herhaal het in het beloop, zodat je een stijging ziet aankomen in plaats van pas op je 60e ontdekt.
Cortisol
Cortisol is geen stressmeter met een cijfer erop. Het volgt een dagritme: hoog in het eerste uur na ontwaken, dalend richting de avond. Eén bloedprik om half elf 's ochtends vertelt je dus vooral hoe laat het was. Zinvol wordt het als de vraag scherp is: word je 's nachts rond drie uur wakker en kom je niet meer in slaap, ben je 's ochtends uitgeput en 's avonds klaarwakker, herstel je niet meer van blokken die je vorig jaar makkelijk aankon.
In die gevallen zegt een dagcurve via speeksel meer dan een enkele bloedwaarde, en een 24-uursurine weer iets anders. Welke methode bij welke vraag past staat in het overzicht van cortisol meten via speeksel, bloed en urine. Een verhoogd cortisol hoort bij het REDs-patroon dat Mountjoy en collega's (2023) beschrijven, dus lees het altijd naast je energiebeschikbaarheid, je slaap en je trainingsbelasting van de afgelopen weken. Streefgetallen geven we hier niet; het patroon over de dag is de informatie.
Hoe je het regelt en hoe vaak
Via de huisarts krijg je vergoede diagnostiek als er een medische vraag ligt. Voor een nulmeting waarin je zelf de waarden kiest, kun je ook zonder verwijzing laten prikken; hoe dat werkt staat in het stuk over bloedonderzoek zelf regelen. Houd deze werkwijze aan:
Nulmeting: hormonen op het juiste cyclusmoment, plus ferritine, TSH met vrije T4 en vrije T3, vitamine D, hs-CRP, nuchtere glucose, HbA1c en ApoB
Timing: nuchter prikken, 's ochtends, minimaal 48 uur na een zware training of wedstrijd
Herhaling bij klachten of een lopend traject: na drie maanden, op hetzelfde cyclusmoment
Herhaling als het goed loopt: elk half jaar tot jaarlijks, met dezelfde waarden zodat de vergelijking klopt
Noteer per meting: datum, eerste dag van je laatste menstruatie, trainingsbelasting van die week, slaapkwaliteit en gewicht
Neem naar het gesprek met de huisarts mee wat je zelf ziet: je cycluslengtes van de laatste zes maanden, de klachten in volgorde van hinder, en je eerdere uitslagen. Een wearable helpt daarbij. In de luteale fase liggen rusthartslag en temperatuur hoger en HRV lager. Ken je dat patroon over drie cycli, dan is een verandering erin, bijvoorbeeld een uitblijvende temperatuurstijging na de eisprong, een vroeg signaal dat je cyclus verstoord raakt. Dat is een reden om te laten meten en geen diagnose. Het volledige overzicht van waarden en bereiken staat in de complete gids bloedwaarden voor sporters.
Zo lees je het in samenhang
Losse waarden zijn puzzelstukjes. Drie patronen die we vaak terugzien:
Ferritine 28, vrije T3 laag-normaal, oestradiol laag, TSH keurig in het midden, cyclus verschoven van 28 naar 40 dagen. Dit wijst richting energie: je lichaam krijgt te weinig over na wat je training kost. De ingreep is meer eten en minder trainen, en de hormonen volgen in maanden.
hs-CRP 3,8 en ferritine 35 bij iemand die al drie maanden ijzer slikt. Hier is ontsteking de opnameblokkade via hepcidine. Zolang die hoog blijft, tikt de voorraad nauwelijks op. Slaap, alcohol, trainingsverdeling en darmklachten zijn dan de eerste aangrijpingspunten.
Nuchtere glucose van 5,0 naar 5,7 en ApoB oplopend in twee metingen na de laatste menstruatie. Dit vraagt metabole aandacht: zwaar tillen, korte intervallen, eiwit op peil en de trend blijven volgen.
Dit zijn patronen die richting geven aan je volgende stap, geen diagnoses.
Hoe zo'n verhaal ontstaat uit losse getallen werken we uit in het artikel over bloedwaarden die samen een verhaal vertellen.
Wat wij ermee doen
Wij stellen geen diagnoses en schrijven geen medicatie voor. Wat we wel doen: je uitslagen in samenhang lezen, ze naast je training, je eetraam, je slaap en je cyclusverloop leggen, en daar een leefstijlplan van maken met controlemomenten erin. Waar een uitslag om medische beoordeling vraagt, gaat die naar je huisarts, en waar keuzes over hormoontherapie spelen, hoort dat gesprek bij je huisarts of gynaecoloog. Wat we bijsturen zijn de dingen die je zelf in handen hebt: energiebeschikbaarheid, eiwitverdeling, trainingsprikkel, herstel en gerichte suppletie op basis van gemeten waarden. Die aanpak staat beschreven bij orthomoleculaire therapie en, met de langere horizon van bot, spier en vaten erbij, bij longevity.
Heb je een uitslag liggen waar "alles normaal" op staat terwijl je merkt dat er iets niet klopt? Plan een kennismaking van 15 minuten en we kijken samen welke waarden je mist en welke volgorde logisch is.
Veelgestelde vragen
Op welke cyclusdag laat ik prikken?
FSH en oestradiol op dag 2 tot 5, geteld vanaf de eerste echte bloeddag. Progesteron rond dag 21 bij een cyclus van 28 dagen; bij een langere of kortere cyclus tel je ongeveer een week terug vanaf je verwachte menstruatie. Is je cyclus onregelmatig geworden, prik dan wanneer het uitkomt, noteer de datum en je laatste menstruatie, en herhaal over drie maanden. Ferritine, schildklier, vitamine D, hs-CRP, glucose en ApoB zijn niet cyclusgebonden.
Kan ik met de pil mijn hormonen laten meten?
De eigen hormoonschommeling is bij orale anticonceptie grotendeels onderdrukt, dus FSH, oestradiol en progesteron zeggen dan iets anders dan bij een natuurlijke cyclus en de fase-indeling geldt niet. De rest van het panel blijft gewoon bruikbaar: ferritine, schildklier, vitamine D, hs-CRP, glucose, HbA1c en ApoB. Overleg met je huisarts of gynaecoloog wat in jouw situatie zinvol is om te meten.
Welke ferritine is goed als ik sport?
Het lab noemt 15 µg/L als ondergrens voor vrouwen. Voor een trainend lichaam wordt het pas comfortabel vanaf ongeveer 50, met 50 tot 150 als functioneel bereik. Voor mannen is dat 30 tot 200. Zit je onder de 50 met klachten van vermoeidheid en traag herstel, kijk dan meteen naar hs-CRP en naar je verliezen voordat je aan suppletie begint.
Mijn huisarts zegt dat alles normaal is. Wat nu?
Dat klopt waarschijnlijk binnen de vraag die de huisarts stelt: is er ziekte aantoonbaar. Vraag welke waarden precies zijn geprikt. Ontbreken vrije T3, ferritine, hs-CRP of ApoB, dan is er een deel van het beeld niet gemeten. Kom terug met je cycluslengtes, je klachten op volgorde en je eerdere uitslagen; dat maakt het gesprek concreter dan "ik ben moe".
Hoe vaak herhaal ik?
Bij klachten of tijdens een lopend traject na drie maanden, op hetzelfde cyclusmoment en met dezelfde waarden. Loopt het goed, dan volstaat elk half jaar tot jaarlijks. In de perimenopauze is herhalen belangrijker dan uitbreiden, omdat het beloop van FSH en oestradiol daar het verhaal draagt.
Wat doe ik met de uitslag?
Kies één aangrijpingspunt in plaats van vijf tegelijk. Wijst het beeld richting energie, dan gaat er eerst voeding bij en trainingsvolume af. Wijst het richting ontsteking, dan pak je slaap, alcohol en trainingsverdeling aan voordat je gaat suppleren. Wijst het richting metabole verschuiving, dan begin je met zwaar tillen, korte intervallen en eiwit op peil. Meet daarna opnieuw op hetzelfde moment, zodat je weet of je ingreep gewerkt heeft.
Bronnen
- Harlow SD e.a. Executive summary of the Stages of Reproductive Aging Workshop + 10 (STRAW+10). Menopause, 2012;19:387-395. Bekijk de studie
- Sims ST, Kerksick CM e.a. International society of sports nutrition position stand: nutritional concerns of the female athlete. Journal of the International Society of Sports Nutrition, 2023;20:2204066. Bekijk de studie
- Mountjoy M e.a. 2023 International Olympic Committee consensus statement on Relative Energy Deficiency in Sport (REDs). British Journal of Sports Medicine, 2023;57:1073-1097. Bekijk de studie